
Jurisprudentie
BF0079
Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01495/07 E
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01495/07 E
Statusgepubliceerd
Indicatie
Conclusie AG: Onder de term "veld" i.d.z.v. art. 1 van de Flora- en faunawet dient te worden verstaan "een voor de uitoefening van de jacht bestemd of geschikt terrein". Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof o.m. vastgesteld dat er op het totale boscomplex, waarvan het terrein waarop verdachte zich bevond deel uitmaakt, diverse beschermde inheemse diersoorten voorkomen waaronder wilde zwijnen, reeën en edelherten. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat ook op het hiervoor bedoelde terrein wel eens wilde zwijnen komen en dat het op dat terrein mogelijk was m.b.v. de kastval - ook van het totale boscomplex afkomstige - beschermde dieren te vangen. Uit e.e.a. volgt, dat er kan worden gesproken van een voor de jacht geschikt terrein, en dus van een "veld" i.d.z.v. de Flora- en faunawet. HR: 81 RO.
Conclusie anoniem
Nr. 01495/07E
Mr. Schipper
Zitting: 27 mei 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 2 oktober 2006 wegens "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 16, tweede lid, van de Flora- en faunawet" veroordeeld tot een geldboete van €1500,- subsidiair dertig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof bevolen dat het in het bestreden arrest genoemde inbeslaggenomen voorwerp aan het verkeer wordt onttrokken.
2. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens verdachte heeft mr. A.H.J.G van Voorthuizen, advocaat te Ede, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:
"hij op 15 november 2003 in de gemeente Ede, terwijl hij, tezamen en in vereniging met een ander zich in het veld ophield, zich zonder gegronde reden met een kastval heeft bevonden op gronden, waarop hij en zijn mededader niet bevoegd waren van die middelen gebruik te maken voor de uitoefening van de jacht of in verband met beheer en bestrijding van schade als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68 van de Flora- en faunawet;"
4. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
" 1 . het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], allen jachtopzichter, buitengewoon opsporingsambtenaar, [verbalisant 5], flora- en faunbeheerder, buitengewoon opsporingsambtenaar en [verbalisant 6], hoofdagent van politie District WW Exec. Ondersteuning, opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0746/03-206902 en gesloten op 17 december 2003, voorzover inhoudende als bevindingen van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op 29 januari 2003 bevond ik, verbalisant [verbalisant 1], mij in een bosperceel gelegen in de omgeving van de Kruislaan in de gemeente Ede.
Ik bevond mij daar naar aanleiding van een binnengekomen melding dat er in het bosperceel een kastval voor het vangen van beschermde dieren zou staan.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat dit bosperceel deel uitmaakt van het boscomplex genaamd Zuid Ginkel. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat in genoemd bosperceel een perceel bos is gelegen van ongeveer een hectare groot dat omheind is met een gazen hekwerk met een hoogte van slechts 80 centimeter. Het was mij, verbalisant [verbalisant 1], bekend dat dit perceel particulier eigendom was.
Dit totale boscomplex betreft een veld als bedoeld in artikel 1 van de Flora en faunawet. In dit veld komen diverse beschermde inheemse diersoorten voor waaronder wilde zwijnen, reeën en edelherten.
KASTVAL
Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat in de omheining van dit laatst genoemde bosperceel een opening was. Ik zag dat in de opening een kastval was geplaatst met de vangopening gericht naar het aanliggende bosperceel. Ik zag dat de kastval een afmeting had van circa 75 centimeter breed, 75 centimeter hoog en 130 centimeter lang.
En dat de kastval gemaakt was van ijzer en zogenaamd harmonicagaas.
Het betrof hier een zogenaamde kastval, als genoemd in artikel 16 lid 2 van de Flora en faunawet.
Op 27 oktober 2003 omstreeks 17.00 uur zag ik dat er een opening in de omheining van het terrein was gemaakt door het verplaatsen van een hekje. Ik zag dat in de opening de kastval geplaatst was zoals eerder omschreven. Ik zag dat de wanden van deze kooi niet meer voorzien waren van harmonicagaas maar van vlechtwerk van betonijzer.
Vanaf dit moment heb ik, verbalisant [verbalisant 1], de kastval dagelijks net voor schemering gecontroleerd op de aanwezigheid van een schuif.
Ik zag dat er zeer regelmatig maïs net buiten de kastval en ook in de kastval lag. Ik zag ook bij controle in de ochtenduren dat de maïs verdwenen was. Ik zag dat er pootafdrukken van wilde zwijnen bij de kastval stonden.
Met enige regelmaat zag ik op verschillende tijdstippen een auto het omheinde terrein oprijden. Ik zag dat dit een groene Nissan pickup was voorzien van het kenteken [00-AA-BB]. Op verschillende data heb ik twee verschillende personen op het terrein en bij de kastval gezien. Ik heb deze personen een aantal malen waargenomen door mijn verrekijker.
Op 13 november 2003, omstreeks 18.00 uur, zag ik tegen de kastval twee tegels staan. Ik zag dat onder deze tegels een bruin kunststof kastje stond. Ik zag dat er vanuit dit kastje een nylon draadje door de kastval gespannen was. Ik zag dat er in de kooi maïs lag. Ik vermoedde dat het kastje een klokje zou bevatten dat na activering van het nylon snoertje een tijdstip zou aangeven.
Op 14 november 2003 zag ik dal het kastje met het nylon snoertje nog steeds in de kastval aanwezig was.
Op 15 november 2003, omstreeks 17.00 uur, zag ik, verbalisant [verbalisant 1], dat er een houten schuif aan de kastval zat. Ik zag dat deze schuif in twee U-profielen gevat was boven de opening in de kastval.
Ik zag dat de schuif voorzien was van een koord en ik zag dat dit koord door de kastval liep van boven naar beneden. Ik zag dat het koord met een ijzeren pen aan de onderzijde van de kastval bevestigd was. Ik zag dat als het koord in beweging kwam de pen gemakkelijk losschoot. Ik zag dat er maïs en brood in de kastval lagen.
Kennelijk was de kastval zo opgesteld om er een dier in te vangen. Een dier dat in de kastval zou lopen om de maïs en brood te eten, zou het koord raken waardoor de schuif in vrij verval naar beneden zou vallen. Het is mij, verbalisant [verbalisant 1], ambtshalve als jachtopzichter bekend dat een kastval van genoemde omvang en voorzien van genoemd lokvoer, gebruikt kan worden voor het vangen en bemachtigen van onder andere wilde zwijnen.
AANHOUDINGEN
Op 15 november 2003 omstreeks 18.45 uur, besloten wij, verbalisanten, om post te vatten rondom genoemd terrein. Om 18.55 uur zagen wij, verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 4] en [verbalisant 1] een auto via een dubbel hek het terrein oprijden. Op genoemd tijdstip was de duisternis reeds gevallen. Met behulp van een zogenaamde restlichtkijker zagen wij deze auto op het terrein staan. Wij zagen dat het dubbele toegangshek open stond. Wij zagen dat gedurende ongeveer 30 minuten de inzittenden van deze auto in deze auto bleven zitten. Dit was op een afstand van ongeveer veertig meter tot genoemde kastval.
De inzittenden van genoemde auto waren kennelijk de kastval aan het observeren.
Om 19.25 uur besloten wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], om de inzittenden van de auto als verdachten van overtreding van de bepalingen van de Flora- en faunawet aan te houden. Om 19.30 zijn de beide verdachten in de auto aangehouden.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], herkende beide verdachten als zijnde de personen die ik eerder op het terrein bij de kastval had gezien.
VELD
Wij, verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 4], zagen dat dit ingegaasde bosperceel, daarvan reeds een beschrijving is gegeven een veld betrof als bedoeld in artikel 1 van de Flora- en faunawet.
Wij zagen tevens dat het dubbele hek dat toegang biedt tot dit ingegaasde bosperceel open stond. Wij zagen dat het geen afgesloten erf betrof.
VERBOD IN VELD BEVINDEN
Gedurende dit onderzoek is ons niet gebleken dat beide verdachten voornoemd gegronde redenen hadden en bevoegd waren om zich met genoemde kastval in hel veld te bevinden, zoals bedoeld in artikel 16 van de Flora- en faunawet.
2. de als bijlage bij het in de wettelijke door [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], allen jachtopzichter, buitengewoon opsporingsambtenaar, [verbalisant 5], flora- en faunbeheerder, buitengewoon opsporingsambtenaar en [verbalisant 6], hoofdagent van politie District WW Exec. Ondersteuning, opgemaakte procesverbaal, genummerd PL0746/03-206902 en gesloten op 17 december 2003, gevoegde verklaring van verdachte, gedateerd 15 november 2003 (p. 37), zakelijk weergegeven:
Ik was met mijn zoon en zat in de auto. De vangkooi die u hebt aangetroffen is van mij. De maïs in de kooi heb ik er vanmiddag in gegooid en dat doe ik al langere tijd. Het was wel leuk geweest als ik een keer een zwijn had gevangen. Mijn zoon weet ook van de kooi. We hebben samen het gaas om de kooi gemaakt, maar de kooi is van mij.
Vanmiddag heb ik de schuif aan de kooi gemaakt samen met mijn zoon. Ik hoopte dat er vanavond een wild zwijn in de kooi zou komen en daarom zat ik daar op het terrein samen met mijn zoon.
Eergisteren heb ik samen met mijn zoon een klokje aan de kastval gehangen. We wilden niet voor niets komen. De klok is eergisteravond niet afgegaan maar gisteren wel om 21.00 uur.
De kooi was eerder gemaakt met harmonicagaas en later hebben we betongaas gebruikt omdat de wilde zwijnen er door heen gingen. Een halfjaar geleden heb ik de kooi ook al eens geplaatst.
Ik voer maar mijn zoon ook.
3. de als bijlage bij het in de wettelijke door [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], allen jachtopzichter, buitengewoon opsporingsambtenaar, [verbalisant 5], flora- en faunbeheerder, buitengewoon opsporingsambtenaar en [verbalisant 6], hoofdagent van politie District WW Exec. Ondersteuning, opgemaakte procesverbaal, genummerd PL0746/03-206902 en gesloten op 17 december 2003, gevoegde verklaring van [medeverdachte], gedateerd 15 november 2003 (p. 38), zakelijk weergegeven:
Ik zat aldaar te stropen. Ik was van plan om een wild zwijn te vangen en ik weet dat dat niet mag. De zwijnen komen ook wel eens op ons terrein. Ik probeerde de zwijnen te vangen met een kooi en als er een dier in de kooi zat zou ik het dier doden met een pijl met behulp van de door jullie aangetroffen kruisboog die ik aldaar voorhanden had. Ik lokte de varkens met brood en maïs en soms kuikens van kippen.
Vorig jaar herfst heb ik besloten zwijnen te gaan vangen met een kooi. Het was dezelfde kooi maar toen zat er gaas omheen.
Twee keer zijn er zwijnen uit de kooi ontsnapt. De kooi heb ik een maand geleden opgeknapt met betongaas zodat de varkens niet weer zouden ontsnappen. Ik voerde soms om de drie dagen en soms een aantal dagen achter elkaar. Mijn vader hielp mij vanavond.
Ik heb een klokje in de kooi gehangen, twee of drie dagen geleden, en daardoor kon ik zien hoe laat de varkens kwamen.
Vanmiddag zagen wij dat het klokje geraakt was en dat de varkens om 21.00 uur geweest waren. Toen heb ik besloten de schuif voor de kooi te maken.
4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de economische kamer in het Gerechtshof te Arnhem van 18 september 2006, zakelijk weergegeven:
Het gebied van één hectare is omheind. De omheining is aan de voorkant ongeveer 80 cm hoog. De overige omheining is hoger. Over het deel van de omheining dat 80 cm hoog is, kunnen edelherten en reeën heen springen."
5. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van een ter terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2006 door de verdediging gevoerd verweer, inhoudende dat de verdachte zich niet in een veld als bedoeld in de Flora- en faunawet heeft opgehouden.
6. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte zich niet in een veld als bedoeld in de Flora- en faunawet heeft opgehouden. Hiertoe heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte zich in zijn eigen tuin bevond en deze tuin geen veld wordt op het moment dat men een opening in de afrastering maakt en hierin een kastval plaatst dan wel dat men door deze handelwijze bij het eigen terrein open veld betrekt. Mocht dit laatste toch het geval zijn dan zou het stukje in de kast, veld geworden zijn. Verdachte bevond zich echter buiten de kastval in zijn eigen tuin.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het perceel bos van verdachte is ongeveer één hectare groot en is omheind met een gazen hekwerk. Het terrein is aan de voorkant afgerasterd met een hekwerk van 80 cm. Blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep kunnen wilde edelherten en reeën over deze afrastering heen springen. In de afrastering waren enige openingen ondermeer op de plaats waar de kastval met de opening afgewend van het afgerasterde terrein was geplaatst. Daarnaast werd het dubbele hek dat toegang bood tot het afgerasterde bosperceel open aangetroffen bij controle op 15 november 2003 en was op enkele plaatsen de afrastering kapot, waardoor everzwijnen door de afrastering heen konden breken.
Tegen deze achtergrond bezien, betreft de bostuin van verdachte geen afgesloten erf en is dit terrein in zoverre aan te merken als een onderdeel, immers in min of meer open verbinding staand met het omringende terrein en daarmee als 'veld' in de zin van artikel 16 van de Flora- en faunawet. Ook overigens, indien de bostuin van verdachte niet aan te merken zou zijn als veld in de zin van deze wet, betroffen de bezigheden van verdachte bezigheden die effecten in het veld ressorteren. Het verweer treft derhalve geen doel."
Art. 1.6 van de Flora- en faunawet luidt als volgt:
" 1 . Het is degene die niet voorzien is van een jachtakte, verboden in het veld een geweer of een gedeelte van een geweer te dragen tenzij hij uit andere hoofde tot het gebruik van een geweer ter plaatse gerechtigd is.
2. Het is degene die zich in het veld ophoudt, verboden zich zonder gegronde reden met een fret, een buidel of een kastval te bevinden op gronden, waarop hij niet bevoegd is van die middelen gebruik te maken voor de uitoefening van de jacht of in verband met beheer en bestrijding van schade als bedoeld in de artikelen 65, 67 en 68.
3. Een ieder is verplicht te verhinderen dat een dier dat hem toebehoort of onder zijn toezicht staat, in het veld dieren opspoort, doodt, verwondt, vangt of bemachtigt."
8. Art. 1 van de Flora- en faunawet luidt als volgt:
"(...)
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
(...)
veld: stranden, schorren, gorzen, kwelders, slikken, wadden, binnenwateren en territoriale wateren alsmede wegen en paden, voorzover deze geacht kunnen worden deel uit te maken van een voor de uitoefening van de jacht bestemd of geschikt terrein;"
9. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat onder de term "veld" in de zin van de Flora- en faunawet dient te worden verstaan "een voor de uitoefening van de jacht bestemd of geschikt terrein".
10. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof onder meer vastgesteld dat er op het totale boscomplex, waarvan het terrein waarop de verdachte zich bevond deel uitmaakt, diverse beschermde inheemse diersoorten voorkomen waaronder wilde zwijnen, reeën en edelherten (bewijsmiddel 1 ). Voorts heeft het Hof vastgesteld dat ook op het hiervoor bedoelde terrein wel eens wilde zwijnen komen en dat het op dat terrein mogelijk was met behulp van de kastval - ook van het totale boscomplex afkomstige - beschermde dieren te vangen (bewijsmiddelen 1,2 en 3). Uit een en ander volgt, dat er kan worden gesproken van een voor de jacht geschikt terrein, en dus van een "veld" in de zin van de Flora- en faunawet.
In dit licht heeft het Hof het in het middel bedoelde verweer terecht verworpen, wat er zij van de daartoe gebezigde gronden.
11. Het middel, dat op grond van het voorgaande niet tot cassatie kan leiden, kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak
9 september 2008
Strafkamer
nr. S 01495/07 E
AM/RR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 2 oktober 2006, nummer 21/002793-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Schipper heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 9 september 2008.